Start Omhoog Koninkrijk periodes Koningen

Geschiedenis

Prehistorie

De eerste tekenen geven aan dat het gebied rondom de Mekong rivier reeds 10.000 jaar bewoond is. Het gebruik van keramiek en brons begon hier aanzienlijk eerder dan in andere delen van de wereld. De volken streken neer tijdens hun migratietocht van China naar India. De eerste staatjes waren stadstaten waarover stadshoofden de leiding hadden. De meeste stadstaten ontstonden langs de rivier. Het zuiden van Laos is lange tijd het centrum van het Mon-Khmer Funan en Chenla koninkrijk geweest.

De eerste inwoners waren immigranten vanuit Thailand en leden van de Hmong/Mien-stam. De eerste Laotiaanse vorstendommen werden in de 13e eeuw gesticht na de invasie van het zuidwesten van China door de Mongoolse troepen. In het midden van de 14e eeuw wilde een strijder van deze troepen, Fa Ngum, zijn eigen koninkrijk stichten nabij Luang Prabang. Hij noemde het Lan Xang, wat 'een miljoen olifanten' betekent. In het begin was het een bloeiend rijk, maar onder druk vanuit de omringende landen viel het uiteen in de 17e eeuw. Lan Xang werd verdeeld in drie strijdende koninkrijken, die gecentreerd liggen om Luang Prabang, Wieng Chan (het huidige Vientiane) en Champasak. Tegen het einde van de 18e eeuw kwamen de meeste delen van Laos onder Thaise heerschappij, maar ook de Vietnamezen probeerden om bepaalde delen te veroveren. Lan Xang wilde echter niet onder 2 heersers leven en verklaarde Siam (het huidige Thailand) de oorlog in 1820. Hierdoor kwamen de 3 Laotiaanse koninkrijken onder Thaise controle. Eind 19e eeuw stichtte Frankrijk het Franse Indo-China in de Vietnamese provincies Tonkin en Annam. De Thaise regering 'gaf' daarna Laos aan de Fransen, die hier erg gelukkig mee waren.

Lanna Thai & Lan Xang.

In de 13e eeuw veroorzaakte een opstand van de Thai tegen de Khmers een afzondering van een aantal stadstaten. Zo ontstond het Sukhothai koninkrijk in Noord-Thailand. Het rijk steunde Lanna, dat strekte van noord-centraal Thailand tot het huidige Luang Prabang en Vientiane. In de 14e eeuw ging Lanna ten onder door het koninkrijk van Ayutthaya in Siam. De veldheer Chao Fa Ngum kwam tot macht. Samen met 10.000 Khmer groepen veroverde hij grote gebieden dat hij Lan Xang noemde. Later lijfde hij ook nog grote delen van Vietnam in. Zijn ministers konden zijn vechtlust niet meer aan en verbande hem naar een Thaise provincie. Zijn zoon Samsenthai volgde hem op en bouwde veel tempels en scholen om zijn gebied af te bakenen. Zijn koninkrijk werd een belangrijk handelscentrum. De opvolger Visounarat voerde het Theravada boeddhisme in als officiële godsdienst door een gouden Boeddha beeld (Pha Bang) te accepteren van de Khmers. In de 15e eeuw waren er veel oorlogen in het gebied. 100 jaar later kwam koning Phothisarat aan de macht en verklaarde Wieng Chan (Vientiane) tot hoofdstad om het land tegen Birmaanse invallen te beschermen. Hij veroverde Lanna en gaf zijn zoon Setthathirat de troon over dat land. Na zijn vaders dood erfde hij Lang Xang en bracht het smaragden Boeddhabeeld Pha Kaew mee. Hij liet er een tempel voor bouwen. Ook gaf hij opdracht voor Pha That Luang, Lan Xangs grootste Boeddhistische tempel. Lang Xang was machtig, maar kon nooit volledige controle krijgen over de bergvolkeren in het noorden. Zeer waarschijnlijk hebben zij Setthathirat vermoord. Lan Xang zat erna zonder leider, waarna het rijk uit elkaar viel en ingenomen werd door Birmaanse troepen. In de 17e eeuw betrad koning Suriya Vongsa de troon voor 57 jaar. In deze periode werd Lan Xang uitgebreid. Dit waren de gouden jaren van Laos.

Verdeling en de oorlog met Siam.

Na de dood van koning Suriya Vongsa in 1694 ontstond er een opstand over de troonopvolging, waarop uiteindelijk Lan Xang uit elkaar viel. In de eerste helft van de 18e eeuw had Suriya's neef macht over het Mekong gebied Wieng Chan. Een tweede, onafhankelijk koninkrijk ontstond in Luang Prbang onder leiding van Suriya's kleinzonen. Dan was er ook nog een derde koninkrijk, Champasak, in het zuiden onder leiding van de Siamezen. Later vielen Birmaanse troepen het noorden van Laos binnen en annexeerde Luang Praban. De Siamezen intussen veroverde Wieng Chan. Siam installeerde Chao Anou, een Lao prins, tot koning van Wieng Chan. Hij herstelde de hoofdstad, zorgde voor een culturele renaissance en verbeterde de contacten met Luang Praban. Onder druk van de Vietnamezen vocht Chao tegen Siam in 1820. Dit was niet succesvol, en de hoofdstad viel weer. Luang Praban en Champasak overkwam hetzelfde. Aan het eind van de 19e eeuw was het hele gebied veroverd door de Thais en werd een Siamese staat. Andere gebieden kwamen later ook onder Siamese controle, om ze te beschermen tegen de Franse invasie.

horizontal rule

 

Koninkrijk periodes

Rattanakosin periode

Rattanakosin is de naam die de Thais geven aan de periode waarin koningen Thailand regeerden vanuit Rattanakosin eiland in Bangkok.
Bangkok begon als klein handelscentrum en als haven voor Ayutthaya, dat de hoofdstad van Siam was tot het in 1767 door Birma ingenomen en verwoest werd. Bij Thonburi, aan de overkant van de rivier bij Bangkok, werd een tijdelijke hoofdstad gevestigd. In 1782 liet Koning Rama I, de eerste koning van de Chakri-dynastie, bij de rivier een paleis bouwen op het eiland Rattanakosin. Hij maakte Bangkok tot hoofdstad, om zo minder kwetsbaar te zijn in het geval van een nieuwe invasie vanuit Burma. En veranderde de naam in Krung Thep. In het westen wordt echter nog altijd de oude naam van de stad, Bangkok, gebruikt.

De volledige ceremoniële naam van Krung Thep is: Krung Thep Mahanakhon Amon Rattanakosin Mahinthara Ayuthaya Mahadilok Phop Noppharat Ratchathani Burirom Udomratchaniwet Mahasathan Amon Piman Awatan Sathit Sakkathattiya Witsanukam Prasit,

Vertaling:
De stad van engelen, de grote stad, de woonplaats van de Smaragdgroene Boeddha, de ondoordringbare stad (in tegenstelling tot Ayutthaya) van de god Indra, de grote hoofdstad van de wereld die met negen kostbare edelstenen is begiftigd, de gelukkige stad, rijk aan een enorm Koninklijk Paleis dat de hemelse woonplaats gelijkt waar de gereïncarneerde god regeert, een stad die door Indra is gegeven en die door Vishnukarn is gebouwd.

Krung Thep heeft het wereldrecord voor de langste plaatsnaam. De plaatselijke schoolkinderen wordt de volledige naam onderwezen, hoewel weinigen de betekenis kunnen verklaren, omdat veel van de woorden archaïsch zijn.


De koninklijke tempel Wat Phra Kaew op Rattanakosin (eiland) in Bangkok

Naar aanleiding van de verhuizing van de hoofdstad naar Rattanakosin begon men met een nieuwe jaartelling, de Rattanakosin Sakarat.

 

horizontal rule

 

Thonburi periode

Thonburi was de hoofdstad van Thailand voor een korte periode tijdens de heerschappij van koning Taksin. De hoofdstad was hierheen verplaatst nadat de hoofdstad Ayutthaya door de Birmezen veroverd en verwoest werd. Koning Rama I verplaatste de hoofdstad in 1782 naar Bangkok aan de andere kant van de Menam rivier (Chao Phraya rivier). Thonburi bleef echter een separate stad en provincie en werd pas in 1972 met Bangkok samengevoegd.
Thonburi kreeg niet de snelle ontwikkeling mee die Bangkok had. Hierdoor bestaan een aantal van de traditionele waterwegen, de Khlongs nog steeds in dit gedeelte van de stad. Aan de Bangkok kant zijn ze allemaal bijna verdwenen.

 

horizontal rule

 

Ayutthaya periode

Het Koninkrijk Ayutthaya was een historisch Thais koninkrijk dat bestond van 1350 tot 1767. Koning Ramathibodi I stichtte Ayutthaya (อยุธยา) als hoofdstad van zijn koninkrijk in 1350. In 1376 nam hij het koninkrijk Sukhothai over. Gedurende de volgende vier eeuwen groeide het land tot de natie Siam, die ruwweg het grondgebied van het moderne Thailand besloeg, met uitzondering van het koninkrijk Lanna in Noord-Thailand. Ayutthaya was buitenlandse handelaren gunstig gezind, eerst Chinezen, Indiërs, Japanners en Perzen, later Portugezen, Spanjaarden, Nederlanders (de VOC), Britten en Fransen, en stond hen toe vestigingen buiten de stadsmuren te bouwen. Op haar hoogtepunt had Ayutthaya ruim een miljoen inwoners: de stad werd qua grootte en welvaart door de ambassadeurs van Zonnekoning Lodewijk XIV vergeleken met Parijs . Met de val en verwoesting van de stad in 1767 door de Birmezen kwam er een eind aan dit koninkrijk.

De Siamese staat met als centrum Ayutthaya in de vallei van de Chao Phraya rivier groeide vanuit het vroegere koninkrijk Lopburi, dat het in zich opnam, en haar opkomst zorgde voor een zuidwaartse verplaatsing van de invloed van Tai-sprekende volkeren. U Thong was een avonturier die afgestamd zou hebben van een rijke Chinese koopmansfamilie die getrouwd was met koninklijk bloed. Toen in 1350 een epidemie zijn hof bedreigde verplaatste hij het naar de vruchtbare vlakte van de Chao Phraya rivier. Op een eiland in die rivier stichtte hij zijn nieuwe hoofdstad, die hij Ayutthaya noemde, naar Ayodhya in noord-India, de stad van de held Rama uit het Hindoe-epos Ramayana. U Thong nam de koninklijke naam Ramathibodi aan (1350-1369).

Ramathibodi probeerde zijn koninkrijk te verenigen. In 1360 verklaarde hij Theravada Boeddhisme tot staatsgodsdienst van Ayutthaya. Hij haalde leden van een sangha, een Boeddhistische kloostergemeenschap, vanuit Ceylon om nieuwe kloosterordes te stichten en het geloof te verspreiden onder zijn onderdanen. Ook stelde hij een wetscode samen. Ramathibodi's wetscode, aangevuld met koninklijke besluiten, bleef algemeen van kracht tot diep in de 19e eeuw.

Aan het einde van de 14e eeuw werd Ayutthaya beschouwd als sterkste mogendheid van Zuidoost-Azië, maar het miste de mankracht om de regio te beheersen. In het laatste jaar van zijn leven had Ramathibodi Angkor veroverd gedurende de eerste van vele succesvolle Thaise aanvallen op de hoofdstad van het Khmer-rijk. Deze politiek was erop gericht om Siam's oostelijke grens veilig te stellen door Vietnamese uitbreiding naar Khmer-territorium tegen te gaan. De verzwakte Khmer lieten zich soms overheersen door Ayutthaya, maar nooit definitief. Thaise troepen moesten vaak weg om opstanden te onderdrukken in Sukhothai of om campagne te voeren tegen Chiang Mai, waar stug weerstand werd geboden tegen Ayutthaya's uitbreiding. Uiteindelijk onderwierp Ayutthaya al het gebied dat ooit aan Sukhothai had toebehoord. Het jaar nadat Ramathibodi stierf werd het koninkrijk erkend door China's nieuw gevestigde Ming-dynastie als Sukhothai's ware opvolger.

Gedurende de 15e eeuw was de energie van Ayutthaya gericht op het Maleisisch schiereiland, waar de grote handelshaven Malakka haar aanspraken tegenstreefde. Malakka en de andere Maleisische staten ten zuiden van Tambralinga waren eerder die eeuw islamitisch geworden, en de Islam fungeerde als symbool van solidariteit tegen de Thais. Desalniettemin controleerde Ayutthaya de lucratieve handel op het schiereiland, wat Chinese handelaren aantrok.

In de 16e eeuw werd Birma een mogendheid die, onder een agressieve dynastie, Chiang Mai en Laos onder de voet liep en oorlog voerde met Siam. In 1569 veroverden Birmese legers, vergezeld door Thaise rebellen (meest leden van de koninklijke familie van Siam) de stad Ayutthaya en voerden de hele koninklijke familie weg naar Birma. Dhammaraja (1569-1590), een Thaise gouverneur die de Birmezen geholpen had, werd als een vazal-koning van Ayutthaya geïnstalleerd. De Thaise onafhankelijkheid werd hersteld door zijn zoon Naresuan (1590-1605) die zich keerde tegen de Birmezen - waartussen hij was opgegroeid - en ze rond 1600 uit het land verdreven had.

In 1511 ontving Ayutthaya een diplomatieke missie uit Portugal, die eerder dat jaar Malakka hadden veroverd. Dit waren waarschijnlijk de eerste Europeanen in het land. Vijf jaar later sloten Ayutthaya en Portugal een verdrag dat de Portugezen toestemming gaf om handel te drijven in het koninkrijk. Een soortgelijk verdrag in 1592 gaf de Nederlanders een bevoorrechte positie in de rijsthandel. In 1604 ging de VOC namens Nederland betrekkingen met Thailand aan.

Buitenlanders werden hartelijk verwelkomd aan het hof van koning Narai (1657-1688), een kosmopolitisch leider die desondanks wantrouwig stond tegenover buitenlandse invloed. Tijdens zijn bewind werden handelsbanden gesmeed met Japan. Nederlandse en Engelse compagnieën vestigden factorijen, en Thaise diplomatieke missies werden naar Parijs en Den Haag gestuurd. Door banden met diverse landen te onderhouden kon het Thaise hof de Nederlanders uitspelen tegen de Engelsen en de Fransen tegen de Nederlanders, om zo te voorkomen dat één buitenlandse mogendheid te veel macht zou krijgen.

In 1664 gebruikten de Nederlanders geweld om een verdrag af te dwingen dat extraterritoriale rechten gaf naast vrijere handel. Op aandringen van zijn minister van buitenlandse zaken, de Grieke avonturier Constantine Phaulkon, vroeg Narai de Fransen om hulp. Franse ingenieurs construeerden fortificaties voor de Thais en bouwden een nieuw paleis voor Narai in Lopburi. Daarnaast hielpen Franse missionarissen met onderwijs en gezondheidszorg en brachten ze de eerste drukpers het land binnen. De persoonlijke interesse van de Zonnekoning werd gewekt toen rapporten van missionarissen suggereerden dat Narai mogelijk wilde overgaan tot het christendom.

De Franse aanwezigheid die door Phaulkon werd aangemoedigd leidde tot afgunst en wantrouwen bij de Thaise adel en de Boeddhistische leiding. Toen het gerucht rondging dat Narai op sterven lag doodde een generaal, Phetracha, de kroonprins (een Christen) en bracht Phaulkon ter dood samen met een aantal missionarissen. De aankomst van Engelse oorlogsschepen leidde tot het bloedbad van meer Europeanen. Phetracha (1688-1693) greep de troon, wees de overgebleven buitenlanders uit en begon een periode van 150 jaar waarin de Thais zich bewust isoleerden van contacten met het Westen.

De "Gouden Eeuw" van Ayutthaya was in het tweede kwart van de 18e eeuw, na een bloedige periode van dynastieke strijd, een relatief vredige tijd waarin kunst, literatuur en studie floreerden. Ayutthaya bleef concurreren met Vietnam over Cambodja, maar een grotere dreiging kwam vanuit Birma, waar de nieuwe Alaungphaya dynastie de Shan-staat had onderworpen.

In 1765 werd Siam binnengevallen door twee Birmese legers (de zoveelste inval door het machtige buurland) die optrokken naar Ayutthaya. Het enige verzet van betekenis vond plaats bij het plaatsje Bang Rajan. Na een beleg van vele maanden viel Ayutthaya in 1767 en werd volledig verwoest, wat het einde betekende van dit trotse koninkrijk.

Voordat het einde kwam was de militaire commandant Taksin met zijn troepen aan de naderende ondergang ontsnapt. Hij zou Siam uit zijn as laten herrijzen, groter en sterker dan tevoren.

De Thaise koningen waren absolute monarchen met een godsdienstig tintje. Ze legitimeerden hun macht met de idealen die ze vertegenwoordigden: de koning was een moreel model, die het goede in zijn volk vertegenwoordigde; het land leefde in vrede en voorspoed dankzij zijn goede daden. In Sukhothai, waar Ramkhamhaeng volgens het verhaal iedere onderdaan aanhoorde die de bel aan zijn paleispoort luidde, werd de koning vereerd als een vader door zijn volk. Maar in Ayutthaya verdwenen de vaderlijke aspecten van het koningschap toen, onder Khmer invloed, de monarchie zich terugtrok achter een muur van taboes en rituelen.

Als devaraja (Sanskriet voor "goddelijke koning") werd de koning gezien als de incarnatie op aarde van Shiva en zo werd hij het voorwerp van een politiek godsdienstige cult die werd beheerd door een groep koninklijke Brahmanen die deel uitmaakten van het hof. In de Boeddhistische context was de devaraja een bodhisattva (een verlicht wezen die, uit medeleven, niet naar het nirvana gaat om anderen te helpen). Het geloof in goddelijk koningschap bleef bestaan tot in de 18e eeuw, hoewel de godsdienstige betekenis ervan sterk verminderd was. De Franse Abbé de Choisy, die in 1685 in Ayutthaya bezocht, schreef: "De koning heeft de absolute macht. Hij is werkelijk een god van de Siamezen: niemand durft zijn naam te noemen." Een andere 17e eeuwse schrijver, de Nederlander Van Vliet, merkte op dat de koning van Siam "geëerd en aanbeden werd door zijn onderdanen meer dan een god".

In het begin was het Thaise koninkrijk geen eenheidsstaat maar eerder een lappendeken van zichzelf besturende staatjes en provincies die trouw verschuldigd waren aan de koning van Ayutthaya onder het mandala systeem. Deze staten werden geregeerd door leden van de koninklijke familie van Ayutthaya die eigen leger(tje)s hadden en oorlog voerden onder elkaar. De koning moest oppassen dat prinsen niet zouden samenspannen tegen hem, of met vijanden van Ayutthaya. Als de opvolging van de koning onzeker was verzamelden prinselijke gouverneurs hun troepen en trokken op naar de hoofdstad om hun claims kracht bij te zetten.

Eén van de vele institutionele verbeteringen van koning Trailok (1448-1488) was de instelling van de positie van uparat, oftewel kroonprins, die doorgaans werd bekleed door de oudste zoon van de koning of door een (volle, niet half-) broer, in een poging om de opvolging tot de troon veilig te stellen: wat extra moeilijk was in een polygame dynastie. In de praktijk was er regelmatig conflict tussen de koning en de uparat en veelvuldig betwiste troonsopvolging.

Vastbesloten om een herhaling van het verraad als door zijn vader te voorkomen verenigde Naresuan aan het eind van de 16e eeuw het bestuur van het land rechtstreeks onder het hof in Ayutthaya. Hij beëindigde de benoeming van koninklijke prinsen om de provincies te besturen en benoemde in plaats daarvan hovelingen die geacht werden het beleid van de koning uit te voeren. Vanaf die tijd moesten prinsen zich in de hoofdstad ophouden. Hun machtsstrijd ging door, maar aan het hof onder het toeziend oog van de koning. En hoewel de macht van de koning in theorie absoluut was, werd ze in de praktijk beperkt door de (on)mogelijkheden van het bestuur over de provincies. In werkelijkheid was de invloed van het centrale gezag buiten de hoofdstad zeer beperkt tot diep in de 19e eeuw.

De koning stond aan de top van een sterk gelaagde sociale en politieke hiërarchie die zich liet voelen in de hele maatschappij, wat deed denken aan het Indiase kaste-systeem. De basis voor de sociale organisatie in Siam was het dorp, bestaande uit verschillende uitgebreide familie-huishoudens. Een dorp had een verkozen hoofdman, die leiding gaf aan gezamenlijke projecten en formeel het land in bezit had, hoewel in de praktijk de individuele boeren zeggenschap hadden over hun land, zolang zij het bewerkten.

Terwijl er ruim voldoende land beschikbaar was om te verbouwen, hing de levensvatbaarheid van de staat af van het verwerven en beheersen van voldoende mankracht voor landbouw en defensie. De dramatische opkomst van Ayutthaya had constant oorlogvoeren vereist, en omdat geen van de partijen in de regio een technologisch overwicht had over de anderen, werd de uitkomst van de strijd doorgaans beslist door de afmetingen van de legers. Na elke gewonnen campagne voerde Ayutthaya een deel van de overwonnen bevolking weg naar zijn eigen territorium, waar ze in de bevolking werden opgenomen.

Elke vrije man moest geregistreerd worden als dienaar (phrai) van een lokale heer (nai) voor militaire dienst en corvee-werk aan publieke werken en op het land van zijn heer. De phrai kon zijn arbeidsverplichting afkopen door een belasting te betalen. Als hem de gedwongen arbeid onder zijn nai niet aanstond kon hij zichzelf verkopen als slaaf aan een aantrekkelijkere nai, die dan een bedrag aan de regering betaalde als compensatie voor het verlies van de corveearbeid. Ongeveer een derde van de bevolking aan het begin van de 19e eeuw bestond uit phrai.

Welvaart, status en politieke invloed waren onderling gerelateerd. De koning kende landbouwgrond (rijstvelden) toe aan gouverneurs, militaire commandanten en bestuurders aan het hof als betaling voor hun diensten aan de kroon volgens het sakdi na systeem. De grootte van de toewijzing aan elke machthebber werd bepaald door het aantal personen die ze erop aan het werk konden zetten. De hoeveelheid mankracht van een nai bepaalde zijn status en rijkdom ten opzichte van anderen in het koninkrijk. Aan de top van deze hiërarchie stond de koning, die het meeste land bezat en de beschikking had over het grootste aantal phrai (zogenaamde "phrai luang": koninklijke dienaren), die belasting betaalden, dienden in het leger van de koning en werkten op de kroondomeinen. Koning Trailok legde vastgestelde hoeveelheden land en phrai vast voor koninklijke bestuurders op iedere plaats in de hiërarchie, wat de sociale structuur van het land vastlegde tot de invoering van salaris voor regeringsambtenaren in de 19e eeuw.

Een vernieuwing van Naresuan, om zijn beheersing over de nieuwe klassen van gouverneurs te versterken, was dat elke vrije man die als phrai dienst moest doen phrai luang werd, direct gebonden aan de koning, die vervolgens hun diensten verdeelde onder zijn bestuurders. Deze maatregel gaf de koning een theoretisch monopolie over mankracht, en het idee ontwikkelde zich dat, omdat hij over de diensten van iedereen beschikte, hij ook eigenaar was van al het land. Ministeriële benoemingen en gouverneurschappen (en de sakdi na die eraan verbonden was) werden doorgaans geërfd door de weinige families die via een huwelijk met de koning verwant waren. Omdat het gebruikelijk was voor de koning om allianties te smeden met machtige families door middel van huwelijken had de koning vaak tientallen echtgenotes.

In zekere zin buiten het systeem waren de Boeddhistische monniken (sangha), waar elke Siamese man tot kon toetreden, en de Chinezen. Boeddhistische kloosters (wats) werden het centrum van Siamees onderwijs en cultuur, terwijl de Chinezen een grote rol speelden (en spelen) in de economie van Siam. De Chinezen hoefden zich niet te registreren voor corvee-arbeid, dus konden ze zich naar believen door het land verplaatsen om handel te drijven. Tegen de 16e eeuw beheersten de Chinezen de binnenlandse handel van Ayutthaya en hadden ze belangrijke plaatsen verworven in de burgerlijke en militaire ambtenarij. De meerderheid van deze Chinezen was getrouwd met Thaise vrouwen, omdat er weinig Chinese vrouwen uit China naar Thailand kwamen.

De Thais hadden altijd voldoende voedsel. Boeren plantten rijst voor hun eigen consumptie en om er belasting mee te betalen. Wat overbleef werd gebruikt om godsdienstige instellingen mee te ondersteunen. Tussen de 13e en 15e eeuw vond een opmerkelijke wijziging plaats in de manier waarop de Thais rijst verbouwden. In de hooglanden, waar de regenval aangevuld werd met irrigatie om het waterniveau in de rijstvelden te beheersen, zaaiden de Thais de plakrijst (khao niao) die nog steeds dagelijks gegeten wordt in Noord en Noordoost-Thailand.
Maar in de riviervlakte van de Chao Phraya rivier gingen de boeren over op een ander soort rijst, de zogenaamde drijvende rijst: een slanke, niet-plakkerige rijst ingevoerd vanuit Bengalen die snel genoeg groeide vergeleken met de stijging van het waterniveau in de laaglanden. Omdat deze rijst zo makkelijk groeide en zo veel opleverde produceerde het land genoeg om te exporteren. Ayutthaya, aan de zuidelijke kant van de riviervallei, werd zodoende een centrum van rijst-export en andere economische activiteit. De koningen lieten door corvee-arbeid kanalen graven waarmee de rijst werd aangevoerd die met koninklijke schepen naar China werd geëxporteerd. Vervolgens werd ook de delta van de Chao Phraya rivier, een moddervlakte die tot dan toe ongeschikt werd geacht om te bewonen, ontgonnen en bewerkt.

 

horizontal rule


 

Sukhothai periode

Het Koninkrijk Sukhothai was een koninkrijk in noord-centraal Thailand. Het bestond van 1238 tot 1438. Van de toenmalige hoofdstad Sukhothai, twaalf kilometer ten zuiden van het huidige Sukhothai in Tambon Muang Kao, zijn nog slechts ruïnes over in een historisch park.

De stad Sukhothai was aanvankelijk onderdeel van het grote Khmer-rijk, maar in 1238 verklaarden de Thai krijgsheren Pho Khun Pha Muang en Pho Khun Bang Klang Hao zich onafhankelijk. Zij vestigden een Thais-geregeerd koninkrijk. Pho Khun Bang Klang Hao werd later de eerste koning van Sukhothai en noemde zich Pho Khun Si Indrathit (of Intradit). Deze gebeurtenis wordt doorgaans gezien als de stichting van de moderne Thaise natie, hoewel rond dezelfde tijd andere Thaise koninkrijken werden gesticht, zoals Lanna, Phayao en Chiang Saen.
Intradit werd opgevolgd door zijn zoon Pho Khun Ban Muang, die in 1278 werd opgevolgd door zijn broer Pho Khun Ramkhamhaeng.

Sukhothai groeide door bondgenootschappen te vormen met andere Thaise koninkrijken. Met behulp van Ceylonese monniken werd het Theravada boeddhisme ingevoerd als staatsgodsdienst.

Onder Ramkhamhaeng de Grote, zoals hij nu bekend staat, genoot Sukhothai een gouden eeuw van voorspoed. Op het toppunt van zijn macht strekt zijn rijk zich uit van Martaban (thans in Birma) tot Luang Prabang (thans in Laos) en tot Nakhon Si Thammarat in het zuiden van Malakka. De invloedssfeer van dit koninkrijk was groter dan dat van het moderne Thailand, hoewel de buitengebieden niet allemaal even sterk werden beheerst.

Ramkhamhaeng wordt traditioneel ook beschouwd als de ontwerper van het Thais alfabet. Het ontstaan hiervan wordt gedateerd op 1283, op basis van de controversiële Ramkhamhaeng stèle, waarvan gezegd wordt dat deze het oudste Thaise schrift ooit bevat.

Na zijn dood in 1317 werd Ramkhamhaeng opgevolgd door zijn zoon Loethai, waarna de vazalstaten zich begonnen af te scheiden. Eerst Uttaradit in het noorden, toen snel daarna de Laotiaanse koninkrijken van Luang Prabang en Vientiane. In 1319 scheidde de Mon-staat in het westen zich af, en in 1321 kwam Tak, een van de oudste steden van het Koninkrijk Sukhothai, onder de macht van Lanna. In het zuiden maakte de sterke stad Suphanburi zich in het begin van de regeerperiode van Loethai los van Sukhothai.

Zo werd dit koninkrijk zeer snel weer teruggeworpen tot de status van voorheen, toen het slechts van plaatselijke belang was. Intussen groeide de macht van Ayutthaya, zodat koning Thammaracha II in 1378 de macht moest overdragen aan deze nieuwe macht.
Na de dood van koning Thammaracha IV in 1438 was Sukhothai nog slechts een provincie van Ayutthaya.

 

horizontal rule

 

Pha Bang

De Pha Bang (betekenis: groot heilig beeld) is een gouden Boeddha beeld geschonken door de Khmer aan koning Fa Ngum.

Het beeld is 83 cm hoog. Het gewicht wordt geschat op tussen de 43 en 55 kg. Volgens de legende is het beeld gemaakt in de 1e eeuw na christus in Sri Lanka en als gift aan de Khmer koning Phaya Sirichantha gegeven. Deze heeft het beeld op zijn beurt gegeven aan koning Fa Ngum in 1359. Het diende als een bevestiging van de onafhankelijkheid van Lan Xang. Fa Ngum bracht het beeld onder in een tempel in de stad Meuang Xieng Thong (Gouden Stad), de hoofdstad van Lan Xang. Ter ere van dit beeld werd de naam van de hoofdstad veranderd in Luang (Koninklijke) Prabang.

Het beeld is 2 keer door de Siamezen geplunderd en afgevoerd naar Thailand, in 1779 en 1827. Koning Rama IV heeft het beeld uiteindelijk in 1867 teruggegeven. Het staat nu in het Koninklijk-paleismuseum (Haw Kham, "de gouden hal") in Luang Prabang.

 

horizontal rule

 

Chakri day in Thailand

Op 6 april wordt de oprichting van de Chakri-dynastie herdacht, waarvan de huidige monarch, koning Bhumibol de Grote, de negende koning is.

De Chakri-dynastie werd gesticht door Phra Buddha Yodfa Chulaloke of Rama I, die op 20 maart 1737 werd geboren Thong Duang en op 6 april 1782 de troon besteeg. Hij regeerde het land gedurende 28 jaar en tijdens zijn bewind consolideerde hij het koninkrijk op een zodanige wijze dat er geen verdere angst voor nieuwe oorlogen of een invasie van een buitenlandse macht bestond.

Koning Rama I is geprezen als een volleerd staatsman, een maker van nieuwe wetten, een dichter en een vrome boeddhist. Tijdens zijn bewind werd als het ware een “reconstructie” van de Thaise staat en de Thaise cultuur doorgevoerd. Hij was de vorst die Bangkok, Stad der Engelen, als nieuwe hoofdstad van Thailand aanwees. Koning Rama I overleed op 07 september 1809 op de leeftijd van 72 jaar.

Koning Rama I werd opgevolgd door zijn zoon van Phra Buddha Loetla Naphalai of Rama II. Deze koning was begaafd met een artistiek talent en het was dan ook niet verwonderlijk, dat tijdens zijn bewind er een “renaissance” van de Thaise kunst en cultuur tot stand kwam, met name in de literatuur.

Phra Nang Klao was de volgende koning Rama III. Hij versterkte het land in defensief opzicht en gaf opdracht voor vele nieuwe gebouwen. In zijn regeerperiode bereikte de Thaise kunst een hoogtepunt sinds Ayutthaya periode. Er wordt wel gezegd, dat het bewind van koning Rama II en III een Gouden Eeuw voor Literatuur en Kunst was, vergelijkbaar met Koning Narai in Ayutthaya.

Koning Rama III of Phra Nang Klao werd opgevolgd door koning Mongkut (Rama IV), die zich een ambitieus, maar ook zeer religieuze leider toonde. Hij begon de commerciële contacten met het buitenland en was verantwoordelijk voor de introductie van westerse wetenschap en modernisering in Thailand.

Toen kwam Koning Chulalongkorn, de sympathieke vorst, die in zijn regeerperiode van 42 jaar vele veranderingen en hervormingen in Thailand doorvoerde. Zo werd de slavernij afgeschaft, modern systeem van administratie ingevoerd, competente rechtbanken opgericht en werd onderwijs systematisch over het land gespreid


Koning Vajiravudh, die Koning Chulalongkorn opvolgde als Rama VI heeft het goede werk van zijn voorganger verder geconsolideerd en ontwikkeld. Hij heeft veel bijgedragen aan de ontwikkeling van de de nationale taal en literatuur, zozeer dat hij soms de dichter die een koning werd, werd genoemd. Hij sloot ook een aantal verdragen met buitenlandse mogendheden vooral ter verbetering Thailand’s prestige. Deze koning introduceerde ook het gebruik van een nieuwe Thaise vlag, de driekleur, en verving daarmee de oude rode vlag met de witte olifant.

Koning Vajiravudh overleed op 26 november 1925 en werd opgevolgd door zijn jongere broer koning Prachadhipok, de zevende koning van Chakri-dynastie, die regeerde als de laatste absolute monarch. Op 24 juni 1932 vond een revolutie plaats en Zijne Majesteit stemde in met het voorstel van een constitutioneel regime. Op 2 maart 1934 deed de koning afstand van de troon en overleed later in ballingschap.

Hij liet de troon over aan zijn neef, koning Ananda Mahidol, die na 11 jaar regering plotselinge overleed, waarna zijn jongere broer, koning Bhumibol Adulyadej, de huidige vorst, de nieuwe koning werd. Hij staat bekend als koning Rama IX of wel de negende koning van de Chakri-dynastie.

Op Chakri Day wordt de oprichting van de Chakri-dynastie in 1782 door koning Rama I herdacht. Op die dag wordt wordt er officieel gevlagd en vinden er traditionele ceremonies plaats, zoals het leggen van bloemen en kransen bij de vele standbeelden van de koningen in het Huis van Chakri.

Oorlogsverklaringen

1916 - Duitsland. Strijdtoneel: Frankrijk.